Deze gotische kathedraal, het geestelijke symbool van de Tsjechische staat, werd gesticht door Jan Lucembursky (Jan van Luxemburg) en zijn zonen Karel en Jan Jindrich. Het bevat de ondergrondse tombes van vele Tsjechische koningen de volledige naam is de St. Vitus, St. Wenceslas en St. Adalbertkathedraal. Gelegen in Het Kasteel van Praag is het een uitstekend voorbeeld van Gotische architectuur en een van de grootste en belangrijkste kerken in het land. Met de bouw werd begonnen op 21 november 1344, maar aan het begin van de Hussietenoorlogen tijdens de eerste helft van 15de eeuw werd het werk stilggelegd. Gedurende de volgende eeuwen stond de kathedraal er slechts half afgewerkt bij. Het werd tot aan de geweldige toren en een transept afgebouwd, die door een tijdelijke muur werd afgesloten. Pogingen om het werk aan de kathedraal te hervatten leidden niet tot succes, maar tegen het eind van de 15e eeuw droeg koning Vladislav Jagiellon de architect Benedict Ried op om het werk te hervatten. Vanwege een gebrek aan geld liep ook deze poging spaak.. In 1844 presenteerde Vaclav Pesina, een energieke kannunik van de St Vitus, samen met de Neo-Gotische architect Josef Kranner een programma voor renovatie en voltooiing van de kathedraal aan een aantal Duitse architecten in Praag - maar pas ten tijde van het jubeljaar van St Wenceslas in 1929 werd de bouw van de St Vitus kathedraal tenslotte beëindigd; het heeft dus bijna 600 jaar geduurd om de bouw te voltooien! Ondanks het feit dat het volledige westelijk gedeelte van de kathedraal een neo-Gotische toevoeging is, werden delen van de tekeningen van Peter Parler en door hem ontworpen elementen gebruikt in de restauratie en de kathedraal in zijn totaliteit biedt dan ook een harmonische aanblik. Van bijzondere interesse zijn de booggewelven van Parler.