De eerste abdij werd op deze plaats gebouwd door koning Edward the Confessor (de Belijder) omstreeks 1045 – 1050. De aanleiding hiervoor was dat Edward zijn belofte niet kon nakomen om een pelgrimsreis te ondernemen. De abdij werd ingezegend op 28 december 1065. Het paleis van Westminster werd in de eeuwen na de Normandische verovering van Engeland een kracht om rekening mee te houden. Hendrik III gaf de opdracht tot herbouw van de abdij in Gotische stijl, ter ere van Edward the Confessor maar ook als een koninklijk onderkomen voor zijn eigen graf. Het werk duurde meer dan 200 jaar en werd voltooid door de architect Henry Yevele. De abdij werd ingenomen door Hendrik VIII en gesloten in 1540. Het werd pas in 1550 een kathedraal, de koninklijke connecties hebben het behoed voor de vernietiging die de meeste andere Engelse abdijen ten deel viel. De uitdrukking “robbing Peter to pay Paul” (van Peter stelen om Paul te betalen), kan uit deze periode stammen, toen geld bestemd voor de abdij, gewijd aan St. Peter, werd doorgesluisd naar de schatkamer van de Kathedraal van St. Paul. Vanaf de kroning van koning Harold en Willem de Veroveraar in 1066 zijn alle Engelse monarchen in de abdij gekroond. De Aartsbischop van Canterbury is conform de traditie de geestelijke die de kroningsceremonie leidt. St. Edward’s Chair, de troon waarop de Britse monarchen gezeten zijn op het moment van de kroning, bevindt zich in de abdij; van 1296 tot 1996 bood de stoel ook plaats aan de Stone of Scone waarop de koningen van Schotland werden gekroond, maar in afwachting van een volgende kroningsceremonie wordt de Stone tegenwoordig in Schotland bewaard.